Nieuws

Goed ademen tijdens het slapen: de rol van de keelholte

25 september 2017
Goed ademen tijdens het slapen: de rol van de keelholte

Op 31 oktober 2017 hoopt mevrouw Hui Chen aan de ACTA te promoveren op het onderwerp ‘Three-dimensional Analysis of the Upper Airway in Obstructive Sleep Apnea Patients'. Promotoren zijn prof. dr. P.F. van der Stelt, prof. dr. F. Lobbezoo en prof. dr. J. de Lange. Co-promotor is dr. G. Aarab. Hui Chen ontving een bijdrage van de NVGPT in de kosten van de promotie. Hieronder volgt een samenvatting van het proefschrift.

Hebt u uw partner of vrienden ooit horen snurken of zelfs gemerkt dat ze tijdens het slapen stoppen met ademen? Zo ja, dan hebben ze waarschijnlijk last van obstructieve slaap apneu (OSA), die gekenmerkt wordt door terugkerende obstructie van de luchtstroom in de bovenste luchtweg tijdens de slaap.

Op het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam werd de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar obstructieve slaapapneu (OSA). OSA is een slaapgerelateerde ademhalingsstoornis, vaak geassocieerd met zuurstoftekort en verstoring van de slaap. OSA is een groot probleem voor de volksgezondheid; naar schatting 400.000 mensen in Nederland en in Europa 15 miljoen mensen worden erdoor getroffen. Het doel van het promotieonderzoek was om de rol van de bovenste luchtweg in de pathogenese van OSA te bepalen, en om daardoor ook de te verwachten resultaten van behandeling te kunnen voorspellen.

Drie-dimensionale (3D) metingen van de keelholte zijn gebruikt om de rol van de bovenste luchtweg in de pathogenese van OSA te onderzoeken. De software, de beeldvormingsapparatuur, en de methodologie voor de 3D metingen van de bovenste luchtweg moeten betrouwbaar en nauwkeurig zijn. Om de nauwkeurigheid van de software en de beeldscanners te bepalen, werd een antropomorf fantoom van de bovenste luchtweg als gouden standaard ontwikkeld met behulp van 3D-printtechniek (Figuur 1). Er kon worden aangetoond dat de software, de beeldscanners en de methode voor de analyse van de bovenste luchtwegen zoals deze in dit proefschrift wordt gebruikt, betrouwbaar en nauwkeurig zijn.

OSA wordt gekenmerkt door een terugkerende obstructie van de bovenste luchtweg tijdens het slapen. De obstructie van de luchtweg zou kunnen worden veroorzaakt door het feit dat OSA patiënten een kleinere doorsnede van de luchtweg hebben dan gezonde controle patienten. Het is echter nog steeds onduidelijk wat het meest relevante anatomische kenmerk van de bovenste luchtweg is met betrekking tot de pathogenese van OSA. Is het het volume van de bovenste luchtweg of de vorm van de luchtweg of is het een andere anatomische variabele van de bovenste luchtweg? Uit het onderzoek bleek dat de meest relevante anatomische eigenschap van de bovenste luchtweg een kleine minimale dwarsdoorsnede (CSAmin) is. Een luchtweg met een kleine CSAmin heeft een verhoogde neiging tot obstructie.
OSA is een slaapgerelateerde ademhalingsstoornis, wat betekent dat de lucht niet soepel door de bovenste luchtweg kan gaan. Computationele vloeistofdynamica (computerized fluid dynamics, CFD) is een modelmatige benadering die wordt gebruikt om kenmerken van een vloeistof of luchtstroom te analyseren; dit gebeurt door simulatie van de wijze waarop de vloeistof of de luchtstroom door een specifieke buis of leiding gaat. Daarom kan CFD worden gebruikt om te beoordelen hoe de lucht door de bovenste luchtweg stroomt, wat meer inzicht zou kunnen geven in de pathogenese van de OSA-patiënten. Er werd aangetoond dat de luchtweerstand de meest relevante aërodynamische eigenschap van de bovenste luchtweg is in verband met de pathogenese van OSA.
Om OSA-patiënten beter te laten slapen, worden ze vaak behandeld met een mandibulair protrusie-apparaat (MAD), dat de onderkaak naar voren beweegt, en zo de bovenste luchtweg vergroot. Net als elke andere behandelingswijze reageren niet alle OSA-patiënten even goed op MAD's. Het bleek dat OSA-patiënten met een kleinere boven- en onderkaak beter op MAD reageren. Vanuit fysiologisch oogpunt waren de patienten die goed regaeerden degenen die een minder snel dichtvallende luchtweg hadden. Hoewel klinische kenmerken, de craniofaciale structuur en uitkomsten van PSG (polysomnografie) bij OSA een relatie kunnen hebben met de effectiviteit van de behandeling, zijn deze factoren in de klinische praktijk niet betrouwbaar voor het selecteren van de individuele patiënt voor behandeling met MAD. Het is nog steeds een uitdaging om de effectiviteit van MAD te kunnen bepalen aan de hand van eenvoudige, betrouwbare en kosteneffectieve fenotypische modellen; dit moet in verdere studies worden onderzocht.